vrijdag 16 december 2011

Verwelkte zonnebloemen

Hij smeet zijn oor te luister
in het groezelig prostituele duister
het was van haar diensten de beloning
van een door ruzie gek geworden koning

En hij smeerde zijn gevoel op doek
Hij bestond niet meer voor zijn bezoek
hij was ertoe in staat zijn penseel te vragen
het afschilderen van zijn eind nog te vertragen

Gerrit

Hij las de encyclopedie van a tot z
gebruikte alles voor een nieuw gebed
zijn gedichten waren muziek in de nacht
momentopnames in al hun bekende pracht

Er bestond geen Hilversum drie
er was de illusie van de eigen stem
hij zong steeds hoog een lager lied
en schreef zich met zijn woorden klem

het achtervolgde hem al voor hij schoot
de scheidslijn tussen inkt, hart; leven, dood
slechts de rijm bracht alles weer in orde
en als hij dan zijn droom opnieuw vermoorde
werd zij in zijn marmeren hart gebeiteld
in de ogen van een dronken dichter, onverijdeld

donderdag 20 oktober 2011

Letters

raak me aan
deze huid en dit gezicht
lees me met je ogen dicht
en laat me hier
op deze bladzij staan

Cliché

Dat elk gedicht ooit eindigt
staat al eeuwen vast.
Ik heb u dus met dit bericht
vast niet heel veel verrast

zondag 16 oktober 2011

Dichter

Sluit je ogen dichter
Maak wat zwaar is lichter
Wroet in witte aarde
Naar woorden zonder waarde

Draai de dingen om
Leg ze anders uit
Maak een vierkant krom
Tot je op water stuit

Stof de zielen af
Streel de blauwe lucht
Noem de helden laf
Leef als een gerucht

Dan pas kom je verder
Vaderloze herder

Mist

‘Fuck!’ schreeuwt zij hard in de richting van de gesloten kiosk. Ze is te laat. Ze is de trap opgestormd, maar ziet nu net de achterkant van de trein verdwijnen in een compacte ochtendnevel. Driftig tikt ze met haar hakken richting de wachtruimte die misschien nog enigszins beschut tegen de koude, vochtige buitenlucht. Ondertussen zoekt ze in haar tas naar haar Samsung. 
Hij schrikt wakker van het toontje dat hij herkent als een nieuw bericht. Dan weet hij weer waar hij is. Voor hem komt een verschijning in sjaal, jas, rok en op hakken de wachtruimte binnen. Met een Samsung in haar handen. Ze grinnikt, leest vast een of ander kazige sms. Hij heeft niets te lachen. Hij heeft de trein gemist waar hij al bijna een uur op zat te wachten. Niemand van de andere wachtenden heeft hem natuurlijk wakker gemaakt.
Ze gaat zitten, schuin tegenover hem, en is met een bericht bezig. Dan roept ze: ‘Kak!’ Nu is het zijn beurt om te grinniken.
‘Had je wat?! M’n telefoon is leeg, ja!’ reageert ze fel. Geïrriteerd stopt ze het apparaat terug in haar tas, rommelt er wat in, en haalt er uiteindelijk een pakje sigaretten uit. Dan rommelt ze nog langer, tot ze hem vraagt om een vuurtje.
Bij wijze van antwoord begint hij in zijn zakken te zoeken. Het komt maar zelden voor dat hij een aansteker op zak heeft, maar dit is één van die zeldzame momenten. Triomfantelijk vist hij de doorschijnende vuurbrenger uit zijn borstzak en loopt naar haar toe. Zwaaiend met de aansteker zegt hij: ‘Maar alleen als ik een paar hijsjes mag.’ Hij is al tijden gestopt, maar hij zoekt een excuus voor een gesprek. Of in elk geval een poging tot. Nog een uur alleen naar de mist staren ziet hij niet zo zitten.
‘Dit is m’n laatste,’ klinkt het verontwaardigd uit haar mond, terwijl ze hem het lege pakje laat zien.
‘Graag of niet,’ zegt hij. Ze knikt, hij steekt haar sigaret aan en gaat naast haar zitten. Zij verfrommelt het lege pakje en blaast met ogen dicht de rook uit.
‘Mist. Niemand ziet je, niemand mist je,’ zegt hij, na een korte stilte.
‘Heb je dat net zelf verzonnen?’
‘Nee, een of andere dichter. Geen idee meer wie.’
‘Ook naar Utrecht?’ zegt ze als ze hem de sigaret aangeeft.
Hij knikt. ‘Dat was wel de bedoeling ja.’ Een deel van hem walgt van de stank, maar hij inhaleert met genoegen.
‘Maar in slaap gevallen?’ zegt ze jennend.
‘Dat was mijn lot,’ zegt hij gekscherend. ‘Anders had jij nu geen vuur.’ Hij geeft de sigaret weer terug.
‘Ik geloof niet in lot. Ik geloof alleen in wentelteefjes,’ zegt ze, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze tuurt de mist in.
Het geloof in wentelteefjes. Een geloof dat niet veel mensen aanhangen, maar dat misschien ooit, op een dag, ongekende populair zou kunnen zijn. Maar hij heeft die zin eerder gehoord. Een eeuwigheid geleden, zo lijkt het. Hij bekijkt haar van top tot teen. Hij bekijkt haar net zo lang tot ze haar hoofd naar hem toe wendt en hem chagrijnig aanstaart. ‘Is dat iets om zo over te grijnzen?’
‘Charlotte van der Voort!’ Hij weet het zeker. Dit kan niemand anders zijn dan Charlotte. Verbazing maakt zich nu meester van haar gezicht en haar ogen knijpen een beetje samen, observeren zijn gezichtstrekken nauwgezet.
‘Joris Poelgeest? Van de regenboog?’ De klanken komen in slowmotion uit haar keel, alsof  die klanken zichzelf nog niet geloven. Joris knikt enthousiast. ‘Een en dezelfde.’
‘En maakt je moeder nog steeds die goddelijke wentelteefjes?’ wil Charlotte weten.
‘Oh, hou erover op. Ik krijg spontaan trek,’ zegt Joris lachend.
‘Wat ben jij nu aan het doen?’
‘Psychologie. Jij?’
‘Conservatorium. Zang. Je bent me nu toch niet helemaal aan het analyseren, toch?’
‘Nee hoor! Maar als zangeres kan je toch beter niet roken?’
‘Beter niet nee. Maar ik doe jazz. Een wat meer doorrookte stem mag dan wel, vind je niet?’ Ze neemt nog een hijs en geeft de sigaret weer aan Joris.
‘Hoe lang al?’
‘Wat? Het roken, of het zingen?’
‘Zingen.’
‘Al jaren. Maar dit is m’n tweede jaar conservatorium.’
‘Daarvoor nog wat anders gedaan?’
‘Jaartje rondreizen. Hongkong. Melbourne. Buenos Aires.’
‘Alsof het niks is!’ roept Joris uit.
‘Veel gewerkt, lieve rijke ouders, en een vriendin die mee wilde,’ zegt ze, haar schouders ophalend. ‘Ester, misschien ken je haar nog wel. Ook van de regenboog.’
‘Oh, waarom moesten mijn ouders zo nodig verhuizen! Ik kan me jou herinneren, en Bart, nog een paar gezichten, maar dat is het.’
Een omroepbericht klinkt door de speakers net als er een trein voorbij raast, waardoor de inhoud van de mededeling onverstaanbaar wordt.
‘En dat verhuizen, heb je daarom last van hechtingsproblemen? Bindingsangst of zoiets? Of verder niks aan overgehouden?’
‘Hé, ik ben hier de psycholoog! Waar komt dat opeens vandaan?’ Grinnikend drukt hij de sigaret uit.
‘Laatst iets over gelezen. Moest er ineens aan denken.’
‘Geen angsten hoor. Alleen een gruwelijke hekel aan verhuizen.’ Hij geeft haar een knipoog.
‘Wie niet?’
Een groepje meiden komt schaterend en waggelend de wachtruimte binnen. De mist begint langzaam op te trekken. Joris en Charlotte kijken elkaar aan.
‘Kom, we gaan kijken of er ergens al iets open is. Ik heb honger. Wentelteefjes zullen we niet vinden, maar toch...’
‘Is met elk geloof toch zo? Zoeken naar iets wat je niet kan vinden? Kom, geef me je arm.’ Ze haakt bij hem in en samen lopen ze de wachtruimte uit, van de meisjes weg, de trap en het perron af.
Niemand ziet ze, niemand mist ze.


Toekomstige

Ik droomde van de donderdag
dat je in mijn warme armen lag
Ik vroeg naar spannende verhalen
en wilde in je haar verdwalen

Niet meer dan een schim was je gezicht
in het schaarse, flakkerende licht
en je naam was vanzelfsprekend
zeer bemind maar ook ontbrekend

Het was een fijn, fysiek gesprek
ik wist zeker dat je naar me lachte
onbelemmerd, je geluk was groot

Toen ik ontwaakte gleden vingers langs de plek
waar ik je zo naïef en naakt verwachtte
alleen de toekomst lag er, open, bloot

zaterdag 8 oktober 2011

Sheba

Je bent steeds meer jezelf
maar kwetst jezelf steeds meer
je zoekt naar hoger grond
en verlaagt je keer op keer

Je bent een koningin
je smeedt een nieuw verbond
Groots en rigoureus als toen je
Salomon je gaven zond

Je verdedigt de drie-eenheid
en sloopt mijn muren stil
De allesomvattende sfeer
is van de liefde het verschil

dinsdag 20 september 2011

Onbelemmerd (1)

Lizzie. Zijn ogen, oren en voeten zijn naar haar op zoek. Boven is hij het witte zeil. Daarachter is de zon. Daartussen zijn de bladeren. Maar Lizzie is er niet.
Om zich heen ziet hij de benen van de papa’s, de mama’s en de juffrouwen. Mark zit bij een juffrouw op schoot. Hij ziet de stoelen. De gekleurde rondjes in het gras. De man met de fel gekleurde kleren en de rode neus.
Hij laat de hand van zijn eigen papa los en zet een paar stappen. Overal geluid. Pratend, lachend, schreeuwend, huilend. Thijs slurpt limonade. Lisa slaat blokken tegen elkaar aan. Sam praat tegen een kapoentje.
‘Dennisje, waar ga je heen?’
‘Lizzie,’ antwoordt hij aan juffrouw Toos. Hij stapt dapper verder, langs de stoelen, door het gras, de drempel op, naar binnen. Naar minder geluid. Naar minder warm. Naar het huis met de poppen, naar de houten trein. Daarachter zijn de puzzels.
Daar zit Lizzie. Ze praat tegen mevrouw beer, en veegt met de pootjes van mevrouw beer haar wangen droog. Ze is bang voor de man met de rode neus, die gek lacht, en waar de papa’s en de mama’s ook om moeten lachen.
‘Niet bang zijn,’ zegt hij en hij pakt haar hand. Zelf is hij dat ook niet. De man met de rooie neus lacht dan wel te veel, hij kan ook toveren. Dat maakt veel goed. ‘Vandaag feest,’ zegt hij, omdat hij dat gehoord heeft. Lizzie knikt. Samen lopen ze terug.
‘Zo, je hebt haar gevonden,’ zegt juffrouw Toos. Hij knikt en kijkt naar Lizzie. Hij heeft haar gevonden.


Hij weet niet of het zijn eerste herinnering is. Maar het is er één die afwijkt van de rest. Zijn ouders waren er eerder geweest dan Lizzie. En het stoeltje achterop de fiets. En de geur van het huis. De planten in de tuin. Hij zag het altijd meteen als er iets anders was, maar dat betekende dat hij de herinnering ergens had opgeslagen. Maar dat waren beelden, en geuren, geluiden. Geen gebeurtenissen.
Hij vraagt zich wel eens af waarom hij zich zo weinig écht herinnert. Niet van foto’s, niet van verhalen. Gewoon van zichzelf. Het vanzelfsprekende is er altijd, maar blijft niet lang hangen. Of misschien juist te lang. Het vanzelfsprekende is niet aan tijd gebonden, het afwijkende wel. Het afwijkende markeert. Het afwijkende maakt indruk, maar zorgt daarmee ook voor een vertekend beeld. Alsof de afwijking de regel is.

Ze heette geen Lizzy, maar Lindsy. Dat weet hij nu. Maar het blijft hetzelfde hoofd vol zwarte krullen.

De tafels staan in groepjes van zes en vier bij elkaar. Iedereen staart naar de televisie, hoog op wieltjes, maar hij is onrustig. Hij kijkt om zich heen. Zou iemand het zien? Het is donker en wat maakt het ook eigenlijk uit, zegt hij tegen zichzelf. Zonder er verder nog bij na te denken, trekt hij trui en t-shirt over zijn hoofd heen.
Dat lucht op. Eindelijk een beetje koelte. Hij legt zijn hand op zijn borstkas. Die voelt klam aan. Misschien is hij wel ziek. Heeft niet iedereen het warm?
Hij kijkt weer om zich heen, maar nu kijkt er bijna niemand meer naar de televisie. Dat is goed te zien, zelfs met het licht uit schijnt de zon fel door het zonnescherm heen. En de bladeren erachter kunnen daar niets aan veranderen.
Opmerkingen worden gefluisterd. Ze hebben hem gezien, ze hebben hem gevonden. Beschaamd trekt hij zijn shirt los van de trui en wurmt zich er weer in. Hij zal zich moeten aanpassen aan de groep.
Zijn ogen dwalen vluchtig de klas door. Niet bang zijn.


Hij heef Lindsy al vijf jaar niet meer gezien.

dinsdag 9 augustus 2011

Museum

Ik wil een Rembrandt zijn
Duister met een sprankje licht
Of een impressionistische Van Gogh
Als een kleurvol klankgedicht

Maar alsjeblieft geen Mondriaan
Zo hoekig en primair van bouw
En ook geen puntige Picasso
Met zijn kinderlijk getrouw

Wel een glanzende Gaudi
En zijn fantastbare dromen
Of een macabere Hirst of vrolijke Koons
Die kritisch verder komen

Maar het liefst ben ik
Mijn eigen koddig kunstwerk
Dan ben ik als ik dood ben
Een eigen tijdloos merk

donderdag 28 juli 2011

Onze zee

Als de tijd weer eens zwemt
En de nacht baadt in een frisse bries
En  jij verdrinkt in je gedachten
En ik jouw warmte kalmpjes drink

Dan is er iets dat me ontstemt
Waarin ik mijn gevoelens plots verlies
Dan stort de vloedgolf van het wachten
Uit over mijn verward schreeuwende gemoed

Het is geen hoogtepunt of dieptepunt
Het is gewoon een besef dat sliep
Ver weg in een hoek van mijn doolhovig brein
Dat niets liever wil dan er niet zijn

Het heeft zich niet op mij gemunt
Meer op de alom bekende stem die riep
'Geluk is klein en breekbaar als porselein,
Laat het vallen om de pijn eens voor te zijn.'

Gulziger breng ik jouw warmte naar mijn lippen
En prent me in dat ons geluk is als het water
Onbreekbaar en bestand tegen de klippen
Onafscheidbaar en met de belofte van later

zondag 24 juli 2011

Marc-Marie in Zomergasten

Alles tussen overgave en weerstand
Het verzet tegen de ander en jezelf
Het volledig opgaan in het moment
En in alles daaromheen
Het verliezen of volledig behouden
van de overheersende controle

Tussen respect en provocatie
Veiligheid en gebrek aan privacy
Afstand en geborgenheid
Opoffering en teleurstelling

Open als een bloem
Gesloten als een oester
Dichter dan een dichter
met de deur op een kier.

Tussen gehandicapt en perfect
Tussen jezelf en de ander
Tussen macht en slavernij
Tussen bevestiging en afwijzing
Tussen afbraak en opbouw
En andere dichotomieën.

Tussen overgave en weerstand
Wandelen en worstelen wij
Een leven
Tot de dood lang

Dus laat je maar gespannen gaan
Being Alive