donderdag 18 december 2014

Sprookjes van de ruimtelijke ordening

Er was eens een grootgrondbezitter die zich afvroeg wat er met een stuk land moest gebeuren. Er hadden allerlei gebouwen op gestaan die niet meer nodig waren. Die waren inmiddels gesloopt. Meneer van der Twijg vroeg het zijn vrienden. Bouw er toch een zwembad, zei de één, dan verdien je het geld terug met de toegangsprijs die je vraagt. Maar Van der Twijg hield niet van zwemmen, wist dat zorgen voor schoon water een hele taak was en hij stond al bekend als geldwolf. Bouw er toch een parkeerplaats, ik kan nergens mijn auto meer kwijt in deze overvolle stad, stelde een ander voor. Maar Van der Twijg kon zijn eigen auto’s wél kwijt en mensen wilden waarschijnlijk toch een parkeerplaats dicht bij huis. Bouw er een nieuw gemeentehuis, zei de volgende, dan kun je al die loketjes en kantoortjes sluiten en hebben we eindelijk een écht gemeentehuis. Maar meneer Van der Twijg vond dat de gemeente daar zelf maar voor moest zorgen. Bouw een bos, zei de laatste, ik ben dat saaie beton, die kilometers asfalt en die verstikkende uitlaatgassen meer dan zat. Er is al zoveel grijs, ik wil meer groen.
Van der Twijg wist niet waarom, maar hij vond dat hij het verplicht was een bos te bouwen. Hij was het aan zijn naam verplicht en hij was het verplicht aan alle mensen in het gebied. En het zou zijn imago helpen: eindelijk zou hij iets terugdoen, iets teruggeven aan de bevolking. Natuur, frisse lucht, een plek om tot rust te komen. Natuurlijk zou hij een lage entreeprijs vragen voor zijn bos, maar dat was voor het onderhoud. Om het een bos te bouwen dat ze van heinde en verre kwamen bewonderen.
Omdat hij veel andere zaken te regelen en te besturen had, gaf de grootgrondbezitter de taak om een bos te maken aan de heer Loofman. Meneer Loofman, die architect was, wist weinig van bomen, hij wist alleen dat zijn naam iets met bomen te maken had en dat verkondigde hij graag op feesten en partijen. ’Een hele kunst, dank u, meneer Van der Twijg,’ zei de heer Loofman daarom. ‘Daarom,’ zei meneer Van der Twijg, ‘ik weet er vrij weinig van, u kunt daar veel beter over beslissen.’
Bossen waren al lang niet meer gemaakt. Ze waren gesloopt, er was van alles voor in de plaats gekomen. Niemand wist meer echt iets over hoe een bos in elkaar zat. Meer dan twee bomen bij elkaar, waar zag je dat tegenwoordig nog? Maar meneer Loofman kwam met een prachtig ontwerp: het zou een web worden, een web van wandelpaden, met daartussen bomen. Het eerste wat hij deed, was midden in dat web een toren bouwen waar hij zelf zou gaan wonen. Zo zou hij het project beter kunnen overzien. Vanuit zijn toren belde hij mensen op om eens in de zoveel tijd samen een boom te planten. Er was al zoveel geld aan de toren besteed, dus hij stelde de mensen het volgende voor: de helft van het bedrag voor de boom krijg je van mij, de andere helft mag je ergens anders vandaan halen. In het begin hielp hij nog om hier en daar wat aarde over het beton en het asfalt te storten; bomen schenen wortels te hebben die ook ergens heen moesten. Later moesten de mensen die hij belde ook zelf maar voor aarde zorgen. Water moest maar uit de wolken komen. 
Na een jaar bekeek hij zijn project vanuit zijn toren. Het was gelukt. In rechte lijnen zag hij de wegen van zijn park, op de plekken waar geen aarde gestort was. Ook in rechte lijnen stonden alle bomen in de perken. Jonge bomen vooral, die waren goedkoper dan oude, grote bomen. En met een minder grote kluit had je ook minder aarde nodig.
Een jaar later waren de lijnen er nog steeds. Er waren nog veel meer boompjes bijgekomen. Sommige bomen waren omgewaaid, weer anderen waren nog niet groen geworden dit jaar. Maar dat was bijzaak: het bleef een bos. En de mensen die hij sprak waren enthousiast: ‘het is weer eens wat anders!’ en ‘wat een goed plan!’ hoorde hij als ze eens een praatje met ze kwam maken.   
Vijf jaar later dacht de grootgrondbezitter weer langer dan één minuut aan zijn bos, vooral omdat er nog minder bezoekers waren dan in het jaar ervoor. Geen financiële ramp, maar het moest niet erger worden. Hij besloot zelf eens een kijkje te nemen. Alle beslissingen in de handen van die kundige Loofman leggen, dat was prima, maar hij kon ongetwijfeld een beetje bijsturen.
Eenmaal in het bos, leek het precies op de rest van de stad: Grauw en rechtlijnig, duidelijk bestuurd vanuit de toren in het midden. Er was geen groene boom bij, zelfs geen conifeer. Hij was zelf de enige bezoeker en dat was duidelijk te zien, door alle kleine, dunne - en omgewaaide - bomen door. Hier zou hij nog geen romantisch wandelingetje willen maken met zijn derde vrouw! Dit was een zielige bedoeling, zonder enige allure.
‘Meneer Loofman, ik wilde een bloeiend en groeiend bos! Dat mensen kwamen bewonderen! Dat frisse lucht zou geven, waar mensen konden ontsnappen van die grijze gevangenis daarbuiten! Waar vogeltjes hun nestjes zouden bouwen! Wat is er gebeurd?’ zei meneer Van der Twijg.
Meneer Loofman was met stomheid geslagen. ‘U wilde dat ik een bos zou maken, dat heb ik u gegeven, dat heb ik gefaciliteerd. Dit zijn toch bomen? Dan had u maar duidelijker moeten zijn wat u wilde met dat bos!’
Meneer Van der Twijg wist ook niet wat hij ermee aan moest. Blijkbaar was het onmogelijk nog bossen te maken tegenwoordig. Daar moest hij zich maar bij neerleggen. 


Er was eens een grootgrondbezitter die zich afvroeg wat er met een stuk land moest gebeuren. Er hadden allerlei gebouwen op gestaan die niet meer nodig waren. Die waren inmiddels gesloopt. Meneer van der Twijg vroeg het zijn vrienden. Bouw er toch een zwembad, zei de één, dan verdien je het geld terug met de toegangsprijs die je vraagt. Maar Van der Twijg hield niet van zwemmen, wist dat zorgen voor schoon water een hele taak was en hij stond al bekend als geldwolf. Bouw er toch een parkeerplaats, ik kan nergens mijn auto meer kwijt in deze overvolle stad, stelde een ander voor. Maar Van der Twijg kon zijn eigen auto’s wél kwijt en mensen wilden waarschijnlijk toch een parkeerplaats dicht bij huis. Bouw er een nieuw gemeentehuis, zei de volgende, dan kun je al die loketjes en kantoortjes sluiten en hebben we eindelijk een écht gemeentehuis. Maar meneer Van der Twijg vond dat de gemeente daar zelf maar voor moest zorgen. Bouw een bos, zei de laatste, ik ben dat saaie beton, die kilometers asfalt en die verstikkende uitlaatgassen meer dan zat. Er is al zoveel grijs, ik wil meer groen.
Van der Twijg wist niet waarom, maar hij vond dat hij het verplicht was een bos te bouwen. Hij was het aan zijn naam verplicht en hij was het verplicht aan alle mensen in het gebied. En het zou zijn imago helpen: eindelijk zou hij iets terugdoen, iets teruggeven aan de bevolking. Natuur, frisse lucht, een plek om tot rust te komen. Natuurlijk zou hij een lage entreeprijs vragen voor zijn bos, maar dat was voor het onderhoud. Om het een bos te maken dat ze van heinde en verre kwamen bewonderen.
Hij besloot kosten noch moeite te sparen. Hier moest niet één goede man op, hier moesten minstens de tien beste mensen uit het land op, wat zei hij: uit de hele wereld! Professoren, kwekers, biologen, veredelaars, boswachters en nog wat beroepen waar hij nog nooit van gehoord had, vroeg hij bij elkaar te komen. Ze beantwoordden zijn oproep maar al te graag. ’Ik wil daar een bos bouwen en daar heb ik jullie hulp bij nodig,’ begon hij. 
‘Met allemaal nieuwe bomen?’ vroeg de één en ‘Wilt u er ook een meer en beekjes bij?’ vroeg een ander. ‘Want als ik naar de bomen kijk die al in uw gebied staan, zijn die al enorm bijzonder,’ zei een derde en hij liet een kaart zien waarop hij al een aantal bomen omcirkeld had. ‘Ik zou voorstellen rondom en tussen die bomen een bos te laten groeien,’ zei een vierde.
‘Maar daar staan allemaal huizen,’ protesteerde meneer Van der Twijg. 
‘Maar als u een bijzonder bos wilt, moet u beginnen met wat u al heeft, namelijk die bijzondere bomen. En die huizen daartussen zijn oud. Op het nieuwe terrein kunt u nieuwe huizen bouwen, van alle gemakken voorzien. Die oude huizen sloopt u, al het beton verwijdert u, al het asfalt. Dan heeft u genoeg aarde en grond voor nieuwe bomen, struiken, bloemen, planten, gras. Dan is het tijd voor natuurlijke waterbronnen: dat hebben nieuwe bomen nodig. En mest: zonder voedingstoffen groeit er niets. U wilt groene, bijzondere bomen of u wilt het niet.’
‘Dat is veel te veel werk voor één man!’ bracht de grootgrondbezitter uit, die in zijn hoofd had dat hij deze taak aan één van zijn ondergeschikten kon geven.
‘Eén man!? U hebt het wél over een heel bos! Dat heeft zoveel verschillende aspecten, die zijn niet te overzien door één man. En er moeten allerlei verschillende soorten bomen komen. En dieren: een bos kan niet zonder dieren, al zijn het maar regenwormen. En er moet een boswachter zijn die toeziet op het hele plan, op al die flora en die fauna. En alle ziektes die bomen kunnen krijgen. Kent u één man die al die expertise in huis heeft? Ik namelijk niet.’
‘Een kennis, meneer Loofman, die weet toevallig veel van loofbomen,’ zei Van der Twijg, omdat hij niet met een mond vol tanden wilde staan.
‘Maar wat weet hij van naaldbomen? En heeft hij daarvoor gestudeerd? Iedereen noemt zich maar expert tegenwoordig. Als ik ziek ben, ga ik naar een arts, met een diploma. Niet naar m’n nichtje, die net een pleister op kan plakken, en zelfs dat gaat niet altijd goed. Wilt u het beste bos of niet? Of wilt u een klunsbos?’ zei de professor kalm. 
‘Weet u niet hoeveel geld dat kost, deze ideeën van jullie? Dan moet de toegangsprijs omhoog, anders kan ik het niet onderhouden,’ zei Van der Twijg, die spijt kreeg van dit overleg.
‘Meneer, een bos heeft geen winstoogmerk, daar kunt u financieel nauwelijks van profiteren. Het heeft wél een toegevoegde waarde, zoals u zei: frisse lucht, iets groens, een ontsnapping uit het leven van alledag. U weet nauwelijks hoe bijzonder die oude eik is op de Schobbenweg, of die karakteristieke berkenboom bij het Supermarktplein. Maak daar gebruik van, maak er een bos van. U kunt daar mensen voor laten betalen, maar als u het voor iedereen toegankelijk wilt laten zijn, kan dat echt geen hoge prijs worden. Dan zien mensen niet hoe uitzonderlijk uw bos is, en hoe uitzonderlijk kan het zijn, als u met visie investeert in die bomen die u al heeft. En als mensen niet zien hoe uitzonderlijk het is, kunnen ze het niet aan anderen vertellen, en trekt u dus geen bezoekers uit de rest van het land, en dan profiteert u er sowieso niet van. Misschien zijn er wel mensen die het bos zo bijzonder vinden, dat ze in verdieping huren in uw nieuwe flatgebouw, die hier komen wonen om dicht bij dat bos in de buurt te zijn.’ 
‘En een bloeiend bos, dat houdt zichzelf in stand. Dat is vitaal. Dat inspireert. Een stervend bos bloedt dood. Daar neem je afscheid van, dat heeft geen waarde meer.’
‘En u zorgt er indirect voor dat alle kennis over bomen bewaard blijft, wordt doorgegeven, blijft ontwikkelen, blijft stimuleren. Een bomenmuseum, waar alle kennis bewaard blijft, is dat een idee? Met daarvoor opgeleide didactici die al die kennis kunnen en willen overdragen aan de volgende generatie,’ riep iemand die tot dan toe weinig had gezegd enthousiast.
Deze mensen wisten veel meer dan meneer Van der Twijg, vooral andere dingen, zaken die niet tot zijn zakenwereld behoorden. Normaal gesproken kon hij het niet hebben wanneer mensen meer wisten dan hijzelf. Daarom voelde hij steeds een weerstand in zichzelf, in dit hele gesprek. En toch zag hij de kracht van zo’n bos in. En hij had gezien hoe het idee van een bos kleur had gebracht op de grauwe, grijze gezichten van deze oude heren. Zelf kreeg hij dat van geld, van toegevoegde euro’s op zijn bankrekening, maar zij waren vol passie over ‘toegevoegde waarde’. Hun passie wakkerde iets in hem aan. 
Vijf jaar later had hij iets wat op een bos begon te lijken. De oude bomen waren groener dan ze ooit waren geweest en hij wist zeker dat alles wat ertussen was geplant, ooit net zo magnifiek zou kunnen zijn als die bomen. Het rook naar bos. Er liepen net zoveel mensen als in de stad, misschien nog wel meer, maar de mensen liepen minder snel. De mensen keken om zich heen, naar elkaar, ze waren vrolijker dan in de Bedrijfsstraat of de Winkelweg. Ze praatten met elkaar, over wat ze nu van al die bomen vonden. Sommigen konden er geen genoeg van krijgen: hoe vaak ze er ook liepen, elke dag bleek het nog mooier dan de vorige.

Cultuur is als een bos. Bossen hebben lucht, grond, zon en water nodig om te kunnen groeien. Ze hebben een basis nodig om op voort te bouwen. Ze zullen altijd blijven bestaan, ook als niemand een bos meer als een bos herkent. Pas als de zuurstof op raakt, staan we erom te schreeuwen. Ook cultuur moet gevoed worden. Door deelnemers, door gebruikers, door fondsen, door gebeurtenissen in de samenleving, door de gemeente waarin ze functioneert, waaraan ze bijdraagt. Ook cultuurmakers hebben hun basis, kunnen niet zonder hun leermeesters, die vol ervaring zitten. Ook cultuur zal altijd blijven bestaan, ook als het geen aanwijsbare rol aanneemt in iemands leven. Pas als we niet meer zien hoe cultuur ons verbindt, staan we om die samenhang te schreeuwen. 
De kunsten zijn een middel om die samenhang te laten zien, te vergroten, te verbeteren. Ze vertegenwoordigen altijd zowel het individuele als het gemeenschappelijke, als bomen in een bos. Net als een bos, verdienen de kunsten een ruimtelijke ordening: een planmatige inrichting en gebruikmaking van de culturele ruimte die er in een gebied bestaat. Overzicht houden/geven en cultuur faciliteren, zoals cultuurweb doet, is daarbij niet genoeg. Een cultuurbeleid dat enkel een ander orgaan creëert om de cruciale beslissingen uit handen te kunnen geven, is geen cultuurbeleid. Dat is uitstel van executie. ZZP’ers die voor € 30, € 40 per uur los van elkaar werken, dat is geen basis om kennis te laten groeien door te delen. Dat is verdeel en heers. 
Een cultuurbeleid dat werkt aan het versterken, het verbinden van een samenleving, voor jong en oud, dát is toegevoegde waarde. Dat levert vooral op de lange termijn iets op. Betrokkenheid en geloof in (de kracht van) de samenleving bijvoorbeeld. Elke coalitie die dat inziet, heeft de troeven in handen om culturele ‘ontbossing’ tegen te gaan.

zondag 12 januari 2014

Hart en ziel

Voor Beatrix 

In de wieg gelegd voor een bestaan als vorstin,
om ooit door het leven te gaan als onze koningin.
Nooit alleen maar een meisje, een moeder, een vrouw.
Altijd een voorbeeld, het boegbeeld, 
de inspiratie van onze natie -
ook in tijden van verdriet en rouw.

Gesteund door prins Claus en uw zonen deed u allerlei goeds, 
in dienst van het land, steeds begroet met applaus.
Honderden hoeden, één glanzende koets, 
één ijzersterk kapsel, één zwaaiende hand,  
Steeds weer die glimlach, dat vertrouwde gezicht, 
vervuld van uw plicht voor het ambt, 
steeds uitgevoerd met kennis, ervaring en inzicht.

Altijd betrokken, meelevend, zonder dat het een last was.
Ernst, troost en vreugde schonk U wanneer dat gepast was.
Iedereen zal het beamen: met U op de troon kwamen 
beroep, taak en persoon onlosmakelijk samen.

Eens een oranje, altijd een oranje:
op zoek naar perfectie, modern, zonder al te veel franje,
Vol waardigheid, met hart en ziel, vol van vertrouwen.
Op U majesteit konden we altijd bouwen. 

maandag 2 september 2013

Zomergasten 2014

Recensies in de vorm van gedichten: Hoe meer inspiratie en ideeën, hoe beter de uitzending...


Wilfried en Daan
Je weet niet wat je bent
vreemd dat je niet met woorden 
hetzelfde kan als met de wereld

Je laat immers zien 
wat er al was
met wat er is.

Of je toont 
wat er is
met wat er was.

Je doet eigenlijk wat 
alle zomergasten moeten doen
met hun fragmenten

Ik weet het wel
Je zegt het zelf
Meneer copy morph
Je bent een herschepper
Een totaaltechnicus
Een Leonardo da Vincicus
Je bent Bill Nighy
die in de hitchhikers guide to the galaxy
de aarde opnieuw maakt
Je combineert tot het prikkelt
Je maakt salades, 
cocktails van de realiteit

Conservatief moeten we blijven 
in onze idealen
Maar dynamisch, innovatief
en één met wat de wereld biedt
in uitvoering
cognitief investeren in vertalen
Een reis met als doel de reis
bestemmingen komen achteraf
The medium 
is not the message 
is not the medium
is not the message 

Wij zijn slaaf en meester van techniek
We schermen af
we grijpen vast

We waarderen nooit wat werkt
en leggen schuld bij anderen
wanneer iets ons in de steek laat

over klagen gesproken
kunst en cultuur hebben 
niet één overkoepelende functie
het is nog complexer dan een mierensamenleving
dat maakt het praten erover zo lastig
dus zeg niet dat je het antwoord weet

Ik ga in overviewmodus
denk aan alles wat vloeibaar is
Ik denk aan al het oerwoud, alle zee
die absorberen al millennia CO2
maar bossen verdwijnen
en de kunststofarchipel groeit

Uitstoot verminderen helpt niet
als opnamecapaciteit nog sneller vermindert
Er is nog zoveel te veranderen
Doen met of zonder doel

De wereld is een toverbal
hij wordt zoals je wilt
dat hij worden zal


Wilfried en Wouter
De weg die het verschil maakt
die willen we allemaal kiezen
Het probleem is dat je het van te voren niet
en achteraf niet beter weet

Het blijft schipperen in een delta
vooral voor wie de bestemming
in de verte een beetje kan ontwaren
en de gevaren en de oevers op zijn duimpje kent

Veel te vaak is intellect belemmering
het yakkie van jip-en-janneketaal beheersen
en zowel poëzie als mensen kunnen interpreteren
zorgt voor een innerlijk conflict.

Tussen risico en zekerheid
tussen intuïtie en verantwoording
tussen specialisten en stuurlui aan wal
goed en fout, cijfers en kennis

Het ingewikkelde simpel brengen
Het onoplosbare probleem begrijpen
met het volste historische besef
van onzichtbare gevolgen

Ploeteren voor een ideaal
vergt de juiste strategie
spinnen, het grote of kleine verhaal
en later pas water bij de wijn

Het leven zit vol dilemma’s en paradoxen
vol keuzes bij tweesplitsingen
en ik denk aan woorden van Gandalf:

“If in doubt, always follow your nose.”


Johan en Wilfried
Kunst is onderdeel van de cultuur
en staat in dienst van de maatschappij
De taak is het perfect weergeven
van elke onvolmaaktheid
van het individu of van het collectief

Thematiek moet prevaleren over regie, decor en spel
Ook al doet het dat soms niet
Het zijn stappen in een proces
Wat lelijk was wordt soms beeldschoon
Wat prachtig was verwelkt tot as

Te zien voor arm en rijk, voor hoog en laag
voor wie alleen het theater van het leven kent
of voor wie vooral het rode pluche warm houdt

Spel is alle sluizen open houden
zonder te verdrinken

Leven is je alle momenten volledig geven
en je soms heel eventjes verliezen


Wilfried en Nelleke
Je wit vragen oproepen
misschien moet ik ze aan mezelf stellen
maar ik stel ze toch aan jou.

Heeft het koor waar je tegen preekt
niet bijna alle antwoorden al?

Humor is een ernstige zaak,
maar is het niet eerder 
de situatie die bevrijdend werkt?

Geven we onze hersenen
soms niet teveel eer?

Je zegt dat ratio en gevoel 
beide tegenover onverschilligheid staan.
Zijn ze dan verbonden door interesse?
Is gevoel dan onmogelijk 
zonder interesse
of kan het iemand ook overvallen?
En is dat ook poëzie
net als wetenschap?

Is interesse dan niet 
hetzelfde als nieuwsgierigheid?
En als filosofie 
de leer der verwondering is
zijn alle verschilligen 
dan inderdaad filosofen?

Vind je Westlanders 
soms ook boeren
Aan welke wetten 
gehoorzamen wij?

Was de show van Reve groot?
Is omhelzen echt een grens?

Waarom is het vreemd 
dat elke beweging 
een tegenbeweging oproept?
Zorgen die extremen
niet voor de gulden middenweg?

Hechten vaders zich niet 
genoeg aan kinderen
met al die papadagen?

Zijn wij slaven 
van ons verleden?
En waaraan ben jij verslaafd?

Is kunst 
de onmogelijke zoektocht
naar alles wat
niet uit te leggen valt?

Heeft protesteren zin?

Is schaamte het 
toppunt van verlegenheid?

Wat is de meerwaarde
van deze roman in beelden?

Was deze avond 
niet veel te verschillig?

Wilfried en Hans
Als er 
tussen twee mensen
een gesprek is
moeten zij gelijkwaardig zijn
en elkaar tegelijkertijd 
als volwaardig beschouwen.

Maar veel te vaak
is een gesprek geen gesprek.
Een komiek en zijn zaal.
Een psychopaat en zijn psychiater.
Een leider en zijn volgelingen.
Een snookerspeler en zijn tegenstander.
Serious request en steunbetuigers.

Dan spelen er andere zaken:
Focus en timing
en vooral minimalisme.
Anders wordt het eng.

Ontspanning is een geloof -
onbelangrijk entertainment -
zolang het maar vol overgave,
serieus en geconcentreerd
beleden wordt en ertoe doet
ook al kan alles
gerelativeerd worden.

Omdat we sterven streven wij;
wie eeuwig is, kent geen ambitie;
zonder ambitie geen frustratie;
zonder frustratie geen creativiteit.

Het was zeker
een gesprek.

vrijdag 26 juli 2013

Haute couture


Dit pak is precies op maat
Ik kreeg het gratis en voor niets
Ik was het regelmatig
want ik draag het elke dag
Het raakt nimmer uit de mode
en kreukt pas na decennia
Het repareert zich automatisch
en onderdelen groeien door

Ik verberg het onder kleren
en toon enkel de contouren
Ik pak het alleen uit in volle glorie
voor wie accepteert wat het herbergt
En soms is het te zien voor naturisten
in een sauna, op een grasveld, aan het strand
Zij wisten allang dat schaamte
aan kleermakers werk bezorgt

Tweeslachtig


Ik ben een dubieus geval
Wie me ziet in mijn bikini
nippend van mijn dry martini
valt ongetwijfeld in de val

Mijn lichaam is het niet eens met zichzelf
toont symptomen die elkaar stil tegenspreken
Mijn geest heeft het dialoog ontweken
En koos veel liever voor gewelf

Op mijn paspoort heerst geen enk’le tweedracht
sauna’ s slaan me zwetend uit het veld
Ik word onzeker bij een woord als ‘mankracht’

Op facebook staat niets openbaar vermeld
Maar ik weet hoe ik ben grootgebracht
Jouw aandacht is het enige wat telt

Redding


Morgen wordt rampzalig, had ze gisteren verbazingwekkend helder bedacht, terwijl ze in haar veel te beschonken staat, in haar veel te lange jurk die veel te lange, smalle trap op strompelde. Nu was ze, tot haar opluchting, ook nog eens ongesteld, drie dagen te laat. Maar Line kennende had ze tegenover Marcel alles er al uitgeflapt.
Ayla keek in de spiegel. De bruiloft en de vroege wekker hadden minder schade verricht dan verwacht. Je broer trouwt immers ook maar één keer voor het eerst. Ze had naar weinig dagen zó toegeleefd; eindelijk iets feestelijks, iets normaals, eindelijk mensen die dóórgingen met hun leven. Nikolai en Natascha. Met hoeveel katers zouden de pasgetrouwden vloekend ontwaken?
Fantastisch festivalweer. Ook dat nog, verzuchtte ze, de koffie in de thermoskan schenkend. 
Ze zag niet op tegen de lange rit alleen, maar die andere drie met elkaar in de auto - plus nog Line’s vader als chauffeur - dat stond vandaag gelijk aan nitroglycerine. 
Misschien zou het wel niet doorgaan. Maar van de anderen geen berichten. Wel een appje van Nikolai, net iets na drieën gestuurd: 

Vioolspel was hoogtepunt 
tanks! 
AYLA FEW!!! 
Tas ook!! 

Ze betrapte zichzelf op een glimlach. Haar broer had altijd maar twee woorden nodig om ‘I love you’ te zeggen. 
Al bijna vier weken leefde ze in een soap, eigenlijk vanaf het vrijgezellenfeest van Niko. Ze had het samen met zijn beste vriend gepland. En omdat Nikolai eigenlijk meer vriendinnen dan vrienden had - daar hadden de PABO en zijn passie voor toneel voor gezorgd - kreeg ze Marcel en Toby met weinig moeite zover het handjevol vrienden van haar broerlief te vergezellen. Voor de bruiloft waren ze ook uitgenodigd, maar ze waren niet met haar mee gegaan.
Ze had, zoals gewoonlijk, naar haar moeder gesnauwd, maar nam nu poeslief afscheid. Weekendtas weer in de auto, vioolkoffer, loop-station, thermoskan, broodjes door moeders gesmeerd. 
De TomTom gaf 1:42 uur als verwachte reistijd aan. Vandaag zou het begin van hun bescheiden tournee worden. De groezelige, smoezelige kroegjes werden eindelijk verruild voor onbekende festivalletjes en wat popelende, maar weinig populaire poppodia. De doorbraak van Paper Horizons. ‘Ze hebben iets weg van ska, klezmer, keltic, maar vooral veel van zichzelf. Energieke muziek, extreem dansbaar, plus ijzersterke teksten. Wat er ook gebeurd tijdens het festival, deze combi van syntesizer, viool, drums en saxofoon mag je niet missen. Laat je horizon verbreden door dit ambitieuze viertal,’ stond er te lezen op de website van het festival, inclusief taalfouten. Van de door hen aangeleverde tekst ontbrak elk spoor. Niks over voor de helft vocaal, voor de rest instrumentaal. Waar steeds meer bands met hun instrumenten een beukend fortissimo bereikten wanneer de zang begon, zat hun energie nooit onder de lyrics. Die moesten zo onbegeleid en gevoelig mogelijk tot hun recht komen. 
Liever speelde Ayla akoestisch. ‘Be careful what you wish for,’ mompelde ze tegen de A28.
Glue & Ink zou al helemaal op iTunes moeten staan, nu deed alleen het nummer Fumbled up mountains een dappere poging de aandacht van muziekliefhebbers te vangen. Zou het album überhaupt het licht nog zien?
Niet aan het dreigende fiasco denken was onmogelijk. De rampscenario’s waren eindeloos. Beschuldigingen, geschreeuw, scheldpartijen, excuses, verklaringen, gevechten, vliegende stoelen. Hoe ze ook zou reageren: gezellig werd het niet. Socrates en zijn gifbeker doemden voor haar op. Maar dit was geen schijnproces; de beschuldigingen konden niet worden ontkend. Ook voor haar, terecht, geen redding. 
Alledrie hadden ze zich de afgelopen weken zorgen gemaakt om Toby. Hij miste elke repetitie, ondanks beloftes, maar het werd hem vergeven. Hij wilde er niet meer over praten, zonderde zich af, was soms onvindbaar. Maar Toby en of hij haar de schuld ervan gaf, dat was wel het laatste waar ze nu over in zat. 
Negenenvijftig minuten meldde het scherm, aftellend, alsof het bewust was van het explosiegevaar. Dat ze steeds het gaspedaal iets te diep indrukte, hielp niet.
Haar gedachten dwaalden onophoudelijk af naar gisteren. Was het allemaal echt gebeurd?  Waarom had ze niet nog één dag gewacht? Na alweer een toiletbezoek - klotejurk - en dezelfde constatering - kut, kut, KUT! - had ze besloten - klotedrank! - Marcel via de whatsapp in te lichten. 

Je weet datk altijd op tijd ben, toch...?

Ze was zelden op tijd voor afspraken, tenzij het ertoe deed. Hij zou weten waar ze het over had. Bij de wake hadden zij en Line nog verklaard dat ze de kalender erop gelijk konden zetten, dankzij wat farmaceutische hulp uiteraard. En inderdaad:

Je bedoelt met je   .     .     .

De spaties waren expres. Marcel was altijd al visueel ingesteld. Ze grinnikte. Haar oog sprong van de ene punt naar de andere. Eisprongetjes.

Mss ist loos alarm
Maar ben het al twee dagen niet
Terwijl dat wel zou moeten

Hij reageerde zakelijk, dat ze er morgen over zouden praten. De iPhone verdween in haar handtas, die ze pas halverwege de avond weer terugvond. Mailtjes, appjes, van alles, maar de facebookchat van Marcel las ze wel zes keer. 

jij m’n foon gezien ????
ben m sins gisteravnd kwijt
Line ook niet gezien zeker
?
kan r niet bereiken
wacht, je bent natuurlijk op die bruiloft
laat maar
have fun!

Ze hadden die avond ervoor nog gerepeteerd, weer met z’n drieën. Als Marcel z’n telefoon al de hele dag niet had... Ze had besloten niet te reageren.
Nog een klein half uur, berichtte de BomBom angstvallig zwijgend.
‘There is a paper-thin line between your world and mine. On both sides we’re filling in the blanks; we’re like Catherine and Tom Hanks.’ Ze was opeens, besefte ze, het refrein van Paper wall aan het zingen. Aan het eind van het nummer zouden ze dit nagenoeg a capella en vierstemmig ten gehore brengen. Toby’s ode aan Simone. Tijdens de wake had hij die tekst voorgelezen, een week later stuurde hij iedereen de muziek ervoor. Andere nummers waren tijdens jam-sessies ontstaan, Toby schreef nooit wat, maar dit... Dit was geniaal: breekbaar en overweldigend tegelijkertijd. Zijn manier om met de warboel van emoties om te gaan.
De wake. Zij vieren rond het ziekenhuisbed van Simone. Muziek, waxinelichtjes, slechte grappen, chocola, herinneringen, bastognekoeken, grootse plannen, nachtzusters, gelach. En drank: Baileys, Bacardi, Glenmorangie. Een triomfantelijke Toby: ‘Comazuipen!’ Ze schaterden door hun tranen heen. 
Maar wat ze ook dronken of zeiden, ze ontwaakte niet. Binnen handbereik maar onbereikbaar.
Studiebol Line verdween als eerst. Hertentamen de volgende dag. Toby zou, zoals de rest van de week, in het bed naast zijn comateuze vriendin gaan liggen, tegen de slaap vechtend. Marcel zou bij Ayla blijven slapen, ‘want als je naast me slaapt en zoveel gezopen hebt dan snurk je en dan ben ik morgen bij dat tentamen écht een wrak. En niet vreemdgaan!’ Schalkse lach, knipoog.
‘Ze had wakker moeten worden, door al die bekende prikkels...’ had Toby nog gestameld toen Marcel en Ayla tweeënhalve drankronde later opstonden. 
‘Wat had je dan verwacht? Net als Doornroosje op slag wakker?’ had Ayla gezegd. Marcel bromde iets over geduld en dat Simone alles altijd op haar eigen moment deed. Toen ze weg liepen zat Toby alweer met haar hand in de zijne, ‘Doornsimoontje’ mompelend.
Ayla en Line hadden nog op een terrasje met haar gezeten, die middag. In het zonnetje was er niets verdachts geweest in haar doen en laten. Ze hadden het meer over elkaar moeten hebben, door moeten vragen, een echt gesprek voeren! In plaats daarvan waren de jongens onderwerp van gesprek: hoeveel bier ze zouden drinken op dat vrijgezellenfeest, of er strippers waren. En Line en Simone hadden mannen gespot die ze aan Ayla konden koppelen. 
Toby had die avond een knagend voorgevoel gehad, een taxi gebeld en was zonder een woord tegen de anderen vertrokken. Normaal waren zijn opwellingen een bron van ergernis; dit keer achteraf geen onvertogen woord. 
Ze had de poging gedaan met zijn insuline, haar antidepressiva, nog wat andere pillen, drank en ‘domperidom, als ik het goed zeg. Ik zeg nog tegen die dokter: “Ze heeft geen champagne op!” maar dat is Dom Pérignon, en dit is één of ander antibraakmiddel.’
Tijdens de nachtelijke wandeling naar haar huis besproken zij en Marcel vooral zijn burn-out. Op haar bank keuvelden ze verder, schonken er nog ééntje in - ‘L’ chaim!’ - en voor ze het goed en wel beseften lagen ze te neuken. Bijna alsof ze door hun goddelijke orgasmes haar zelfmoordpoging teniet konden doen, dacht ze nu vol schaamte.
Ze was aangekomen, verzamelde de spullen uit haar Honda Civic. Als dit alles in een roman stond, zou niemand het geloven. 
De vader van Line wachtte haar op bij de artiesteningang. Hun grijzende ‘manager’ was de opgewektheid zelve. ‘Alledrie geen woord in de auto, snap jij dat nou?’ zei hij terwijl hij haar groene backstage-bandje aangaf. ‘Ze zijn even het terrein op,’ verklaarde hij vervolgens. 
In hun cabine kleedde Ayla zich om, pakte een blikje Sprite uit de koelkast en een Mars van de tafel. De rest van de middag was een roes. Geen uitbarsting; iedereen negeerde iedereen. Ze waren vier automatische piloten. Line achter het drumstel. Marcel achter keyboard en synthesizer. Toby achter de microfoon; soms met zijn alt-sax, dan weer met accordeon. Ayla zelf met haar elektrische viool. Het was alsof haar strijkstok een eigen leven leidde. Alsof ze allevier hun eigen concert gaven. Hun vriendschap was gewist. Ze waren opeens professionals. Ze speelden strakker dan ooit. Zonder improvisatie. Zonder enthousiasme. Zonder genot. Alleen Toby zong als nooit tevoren, ging er compleet in op. Het was alsof ze sommige teksten voor het eerst hoorde en zong. Alsof de teksten speciaal voor dit moment geschreven waren: Beyond the shadow of a doubt, lies a land no-one knows about. Of: It’s the thunder in disguise throwing a party in the skies.   
Afsluiter van de setlist was Paper wall. Na de laatste tonen werd het veld stil, maar vervolgens klonk een oorverdovend applaus. Toen wist ze nog maar één ding zeker: dat ze nooit meer met z’n vieren zouden spelen. Want dit was intenser dan al haar doemscenario’s. In een soap was het dramatische zichtbaar, zo overdreven expliciet dat je er niet omheen kon. Hier was het onzichtbaar; niemand uit het publiek besefte dat hun ondergang was vermomd als succes.
Binnen handbereik maar onbereikbaar.

donderdag 4 juli 2013

Ik schrijf me een ongeluk

'Schrijven wordt nog eens mijn dood,'
zei het net verzonnen personage.
'De macht die inkten letters hebben op papier,'
zei hij tot mijn blamage,
'bezorgen mij allerminst plezier.'
Hij ging maar door met dat gezeur,
tot ik schreef: 'Daar is de deur!'
En ja hoor, verhit begon hij aan de korte trap
en hij stapte na de laatste trede
door de deur heen waarachter ik voor de grap
een papieren afgrond had verstopt;
hij viel van de pagina zo naar beneden.
'Heb ik me nu tot moordenaar ontpopt?'
Ja, dacht ik, ik had het toch op hem gemunt.
Wat er van hem overgebleven was, leek enkel nog een punt.

woensdag 3 juli 2013

Orphisch


Ik breng een ode aan het dode,
aan al wat niet meer is en toch nog leeft
in onze hoofden en onze prachtige gedachten
voor elk die veel verloren, niets te vrezen heeft.

Afscheid hoort bij het voortschrijden van de tijd, 
zorgt voor een blik terug en één vooruit.
Wat we missen valt niet uit te wissen,
maar geeft ruimte voor een nieuw geluid.

Ik zing voor de herinnering,
omdat ik niet naar de dood toe wil leven,
om te proberen haar te blijven eren,
om haar leven weer wat glans te geven.

Mikpunt


Toegevoegde waarde


Iets wat ik lees noem ik pas literatuur als het voor mij waarde heeft, als ik het waarde geef.  Als het iets toevoegt aan hoe ik de wereld zie, als het verandert hoe ik met die wereld omga. Als het bij mij (levens-)vragen oproept die ik voor het lezen van dat boek anders, zelfverzekerder, ongenuanceerder beantwoord zou hebben. Literatuur verschilt daarmee met allerlei andere teksten. Nieuwsberichten vergroten mijn kennis van de wereld, maar dwingen mij niet anders naar die wereld te kijken. Een 'doktersroman' is voorspelbaar, en roept dus weinig vragen op. En ga zo maar door. 

Schuilen voor de regen

Wie Harry Potter niks vond, maar wel van lezen houdt, hoeft niets te vrezen; de sterke kanten van Rowlings pen zijn in Een goede raad zo in terug te vinden. Het opbouwen van spanning, een ontegenzeggelijk schrijfgenot en bovenal: personages die tot de verbeelding spreken. Dit keer een bijna te normaal tafereel: een stadje, een bestuur, een sterfgeval. Met het grootste gemak springt de verteller in de hoofden van alle personages, waardoor een hoofdpersonage ontbreekt. De ontwikkelingen in het dorpje lijken centraal te staan, maar een groot aantal ziekten van deze tijd komt ook aan bod. Verslaving, automutilatie, mishandeling, adoptie, cyberpesten, bindingsangst en dwangneuroses, om maar wat ongezellige zaken te noemen. Alleen de verliefdheid van een jongen op een meisje van een onbereikbare, bijna buitenaardse schoonheid lijkt dit deprimerend palet wat op te vrolijken, samen met de onderhuidse humor van de beschrijvingen. 
Op twee derde van het boek zou je nog kunnen denken dat het allemaal gaat om de bekrompenheid van het (dorps)bestuur. Genadeloos legt Rowling immers bloot dat het in de (dorps)politiek alleen maar om persoonlijke belangen gaat, dat objectieve beslissingen uit den boze zijn. Aan het eind van het boek kwam ik althans tot de conclusie dat dit niet het geval was. Natuurlijk, daar gaat het óók over, want het thema overkoepelt ook deze kortzichtigheid. Door de personages van alle kanten te belichten, raakt de lezer vertrouwd met zowel de realiteit van een personage, als de oordelen van anderen over het personage. Tussen die twee gaapt een gigantisch gat en dat is het geval bij elk personage. De originele titel: The casual vacancy, benadrukt deze thematiek. Het draait om de blinde hoek van deze tijd; alles wat leeg staat vullen we in en die invulling komt zelden overeen met de werkelijkheid. Toch neemt ieder zijn of haar eigen invulling voor de waarheid aan. 
Daarmee geeft Rowling een bijna tijdloze beschrijving van de huidige cultuur. De eenvoud van de constatering van dit gapende, soms destructieve zwarte gat gaat gepaard met de betreurenswaardige afwezigheid van een oplossing. We zijn slechts mensen en deze eigenschap zit zo ingebakken dat we er niets aan kunnen veranderen, hoogstens kunnen we er bewuster van worden. En met hetzelfde gemak wordt Umbrella van Rihanna een requiem, lofzang en pophit tegelijkertijd; elke regel van het lied wordt poëtischer dan ooit. We staan allemaal onder dezelfde paraplu, want het regent. 

Niet te wissen tocht
Voor het boek van Rowling las ik een aantal boeken in een opmerkelijke volgorde. Het volgende boek had namelijk steeds weer raakvlakken met de vorige. Dit zijn de namen van Wieringa lag al gekocht op de stapel en verschoof sneller naar boven dan de andere boeken door het winnen van één of andere prijs. Het boek had ook Exodus kunnen heten, maar kreeg de eerste vier woorden van het Bijbelboek met de betekenis Uittocht. Belangrijk deel van het verhaal is de hang naar een eigen geschiedenis van politiechef Beg. Hij blijkt een zoon te zijn van het volk van Israël, het tot en met de Tweede Wereldoorlog verjaagde en vervolgde volk. Het is verweven met de zwerftocht van een groep vluchteling, op zoek naar de bewoonde wereld van hun eigen beloofde land. Ze komen uiteindelijk, na nameloze misdaden, terecht in het stadje van de politiechef, die hun namen en verhalen moet achterhalen. Waar Beg juist zijn eigen geschiedenis hervonden heeft, hebben deze mensen hun geschiedenis gewist: ze wilden een nieuw leven opbouwen in een nieuw land. Maar hun voorgenomen illegaliteit is mislukt. Ze zwierven tegen hoge prijzen rond in hun eigen land door het bedrog van mensenhandelaren. Ze dachten zichzelf en hun daden voorgoed te hebben achtergelaten, de zoektocht naar wedergeboorte bracht zelfs een nieuw geloof met zich mee, maar migranten worden keer op keer met de eigen historie geconfronteerd.

Samenvallen

Illegaliteit en immigratieproblematiek spelen ogenschijnlijk ook een rol in La Superba van Ilja Leonard Pfeiffer. De schrijver die zelf resideert in Genua valt nog steeds niet samen met de échte bevolking daar. Hij is immigrant, evenals de Marokkaanse, Senegalese en andere niet-Italiaanse inwoners van de hoogmoedige stad. Evenals Italianen dat waren toen ze eeuwen terug naar ‘hun’ beloofde land gingen: Amerika. Dat beloofde land is de verbeelding, maar het is nooit de realiteit. Het personage Ilja kan nog zo verdwalen in zijn stad, in de verliefdheid op een vrouw, in de rechtsgang, maar er is een romantisch verdwalen en een reddeloos verdwalen. Ideaal zou het natuurlijk zijn als alles samenvalt: beeld en verbeelding, binnen- en buitenstaander, stad en vrouw, liefhebber en geliefde. Het is het spelen met het versmelten van die laatsten waar de roman zijn intrigerende bestaansrecht aan ontleent. En het is de liefde voor Genua en de zelfbewuste schrijfstijl van Pfeiffer die je door doen lezen. 

Impressie
Daarna werd het minder. Voor een deel las ik Stadliefde, Scènes in Parijs. Ook over een stad en haar problematiek, van wit en zwart en natuurlijk nog veel meer, maar ik vond het te fragmentarisch, heb het weggelegd, kon me er niet op concentreren. Van Dis schetst zijn Parijs in alle geuren en kleuren, maar ik was niet in de stemming. Het viel ergens tussen een reisgids en een scheurkalender in, mooi geschreven, maar op het randje van mijn definitie van literatuur.

Warboel
Het laatste boek lag al een tijd in de kast: Van drie tot zes van het heerschap Brusselmans. Ik kan er net zo goed niet over schrijven, maar wil jullie toch duidelijk maken dat dit verspilde tijd was. Ik wilde al lang iets van Herman lezen, en had het liever niet willen doen. Lappen tekst; het gebrek aan alineaindeling doet bijna vermoeden dat er geen geld was voor meer witruimte. Maar met het effect dat het net zo ongestructureerd is als de gedachten van de hoofdpersoon die het woord voert. De geschetste werkelijkheid mag alleen zijn minachting wegdragen, zijn liefde is weggelegd voor het toppunt van zijn verbeelding, belichaamd in de vrouw Blue. Net als Pfeiffer is het een strijd tussen fantasie en de gestoordheid van de realiteit. Erg ver lijken ze niet van elkaar te liggen. Zelfs zijn fantasie speelt overspel, en erg realistisch zijn de overige beschrijvingen ook niet. Een ode aan het gebazel, het geouwehoer en vooral aan een geperverteerde, zieke geest, maar verder weinig toegevoegde waarde. Maar goed dat er niet meer papier aan verloren is gegaan.